Het vergeten Rietveld-dorp

Zelfs de inwoners beseften lange tijd niet dat ze in een openluchtmuseum van De Stijl woonden. Nergens zoveel Rietvelds bij elkaar als in het Brabantse Bergeijk. ANNEKE VAN WOLFSWINKEL ging op Rietveld-safari. “Er zijn nog nooit zoveel journalisten in Bergeijk geweest.”

Toen ze achttien was, schonk Lucy Slenders, nu 81, koffie in voor Gerrit Rietveld. Samen met tuinarchitecte Mien Ruys kwam hij vanaf 1954 regelmatig naar Bergeijk om met de directie van Weverij De Ploeg te vergaderen over de bouwplannen voor een nieuw fabriekspand. Lucy Slenders koestert de herinnering. “Rietveld was een aardige man, hij groette mij altijd. Hij was al wat ouder, een beetje corpulent ook. Mien Ruys was een struise vrouw, eenvoudig gekleed. Ze zaten in het voorkantoor, met Piet Blijenburg en mijnheer Van Daalen, de grote bazen, met stapels stalen van Ploegstoffen op het bureau. Ik bracht koffie, en lunch, want de vergaderingen duurden lang.”

Rietveld, van wie Lucy op dat moment niet wist dat hij de man van de rood-geel-blauwe stoel was – dé meubelmaker en architect van De Stijl – had nog nooit eerder een fabriekspand ontworpen toen De Ploeg hem benaderde. De stoffen uit Bergeijk waren toen al hard op weg legendarisch te worden. De Ploeg was huisleverancier van top-meubelmerken als ‘t Spectrum en Gispen, en in 1958 stoffeerden ze het nieuwe hoofdkantoor van de Verenigde Naties in New York.

Dat ze Rietveld vroegen is niet zo gek: hij was de Nederlandse voorman van het Nieuwe Bouwen, en zijn idealen van licht, lucht, rechtlijnigheid en ruimte pasten perfect bij De Ploeg. Rietveld werkte nauw samen met tuinarchitecte Mien Ruys, de grande dame van het modernistisch tuinontwerp, die de rechte lijn en de haakse hoek van De Stijl tot fundamenten van haar werk had gemaakt. De Ploeg wilde het beste voor de arbeiders: een fabriek vol daglicht, omringd door een tuin waarin ze konden wandelen en lunchen. De gedachte was: wie dag in dag uit de mooiste stoffen moet maken, kan dat het beste doen in een omgeving die óók schoonheid ademt.

En het is waar: het is een feest om rond te lopen door het fabriekspand. De ruimte is weldadig, dankzij de hoge, halfronde sheddaken waardoor het licht binnenvalt en de glaswanden die zicht bieden op het omringende groen. In 2007 verliet De Ploeg het pand, en na tien jaar leegstand en verval is het grondig gerenoveerd door het Eindhovense architectenbureau Diederendirrix. Nieuwe gebruiker is Bruns, een Bergeijks familiebedrijf dat voor musea en science centers over de hele wereld complete inrichtingen maakt. In de timmerwerkplaats, waar het geluid van zaag- en schuurmachines vrolijk stemt, staan grote, kleurrijke figuren klaar, voor het LEGO House in Denemarken. Directeur Jan Burgmans wijst op de typische Rietveld-details in het gebouw: de originele kleuren op de magazijndeur, de grijstinten aan de binnenkant van de gewelfde daken, de hoger gelegen ‘bazenkamertjes’; zelfs de smalle stalen deurstijlen zijn in originele staat teruggebracht.

 

Ik spreek een paar mensen die hier werkten toen er nog weefgetouwen en verfbaden stonden, en de magazijnen vol rollen Ploegstoffen lagen. Siemen Scheer begon er in 1970, werd al gauw bedrijfsleider, en bleef dat tot zijn pensionering in 2002. Hij herinnert zich de ongelooflijke herrie die de weefgetouwen maakten, de hangjeugd die met brommers over de gazons scheurde, de huisvrouwen die elkaar de lappen uit de handen probeerden te rukken tijdens de ‘Lappendagen’, wanneer restanten van stoffencollecties werden verkocht. Ook herinnert hij zich dat er mensen, vooral uit het buitenland, rondleidingen kregen door het gebouw, omdat het van Rietveld was. Zelf stond hij daar niet bij stil. Hij moest de fabriek draaiende houden, de steeds heviger wordende concurrentie het hoofd zien te bieden.

 

Jules Bolkestein kwam als zestienjarig meisje in 1965 op de exportafdeling te werken. Ze nam telefonische bestellingen aan, maakte offertes, kletste met haar vriendinnen op de administratie. Haar vader vond die bolsjewieken van De Ploeg maar niks, met hun verdachte socialistische idealen. Zelf had ze er geen problemen mee; ze werkte er graag en vond de fleurige stoffen mooi. Ze was slank, dus uit de negentig centimeter brede stof kon ze prima jurkjes naaien. In de pauzes wandelde ze graag door het park. Maar van Gerrit Rietveld of Mien Ruys had ze toen nog nooit gehoord.

Rietveld en Ruys lieten nog meer sporen na in Bergeijk. Met kunsthistoricus Edwin van Onna, schrijver van het boek Modernisten in Bergeijk, wandel ik van de fabriek naar de straatklok: een markant, uit zwart-witte vierkanten opgebouwd geval met maar liefst vier wijzerplaten. Van Rietveld, met een kleine Ruys-tuin er omheen. “Pas sinds een paar jaar worden de mensen in Bergeijk zich bewust van het erfgoed hier. Nergens in Nederland is er zo veel van Rietveld op één plek bij elkaar,” vertelt Van Onna. “Ik woon al twintig jaar in Luyksgestel, vlakbij Bergeijk, maar pas toen ik ergens rond 2005 toevallig een zwart-wit-kopietje bij de VVV zag liggen, ontdekte ik het verhaal van Rietveld en Ruys.”

Twee jaar later richtte hij de stichting Rietveld & Ruys op, en nu zet hij samen met andere Bergeijkenaren en de gemeente het erfgoed op de kaart. “De renovatie van De Ploeg valt door een gelukkig toeval samen met het 100 jaar De Stijl-jaar, en zo komt alles in een stroomversnelling. De toeristen beginnen nu ook te komen.”

Rietveld-bushokje. Foto: gemeente Bergeijk

 

We lopen langs het Rietveld-bushokje, met glas in de kleuren van De Stijl, en dan het bos in, op weg naar de woning die Rietveld ontwierp voor Roelof van Daalen, één van de ‘grote bazen’ van De Ploeg. Het zandpad voert langs een maïsveld, en dan staan we voor een hek en turen naar het huis. Een bungalow met veel glas, omringd door een tuin van Mien Ruys. Edwin wijst naar een rijtje deuren: “Rietveld ontwierp voor iedere kinderslaapkamer een eigen deur, die direct op de tuin uitkomt. Binnen is bijna alles nog in originele staat: de individuele kastjes in de hal, een gek smal deurtje tussen de keuken en de woonkamer, zelfs de handgreepjes van de keukenkasten.” De familie Van Daalen gebruikt het huis nu nog als vakantiewoning, maar Van Onna hoopt dat het op den duur wordt opengesteld als museumwoning.

 

Bergeijk loopt inmiddels warm voor Rietveld en Ruys. Op vrijwel alle etalageruiten in het centrum prijkt het ‘Rietveld in Bergeijk’-vignet in De Stijl-kleuren, een horecaondernemer aan het kerkplein schilderde het meubilair in Mondriaanmotief. Lucy Slenders vindt het prachtig, alles wat ze, lang na de kopjes koffie en de gesmeerde broodjes, geleerd heeft over Rietveld en De Stijl. “Ik heb buiten op mijn gevel nu ook die kleuren, rood geel en blauw, als een eerbetoon aan Gerrit Rietveld. Ik ben er trots op dat ik die man gekend heb.”

 

Amerikaanse minimalisten in Bergeijk

De grote Amerikaanse minimalisten Sol LeWitt, Carl Andre, Donald Judd kwamen in de jaren vijftig en zestig regelmatig naar Bergeijk. Daar bezochten ze ontwerper en kunstverzamelaar Martin Visser die werkte voor meubelbedrijf ‘t Spectrum, een dochteronderneming van De Ploeg, en met zijn vrouw woonde in een door Rietveld ontworpen woonhuis. Het echtpaar zorgde er ook voor dat ze hun werk voor Europese verzamelaars en musea konden laten uitvoeren bij het Bergeijkse metaalbedrijf Nebato. In de achtertuin van Huis Visser, inmiddels een rijksmonument, staat nog altijd een betonnen, trap-achtig kunstwerk van Sol LeWitt.

Dit artikel werd gepubliceerd in ZuiderLucht, augustus 2017

© 2018 Anneke van Wolfswinkel. Gebouwd met Wix.com