Search
  • Anneke van Wolfswinkel

280 woorden - VONK - 7 januari 2020

Ik vroeg een kunstenaar hoe hij kunstenaar geworden was. Hij vertelde hoe hij als kind tekende, aan tafel zittend naast zijn moeder. Zij tekende ook, ze hoefden niet veel te zeggen. De herinnering aan die intimiteit koesterde hij. Tekenmateriaal was altijd voorhanden in huis, toen hij ouder werd bevestigden zijn


ouders hem in zijn keuze voor een opleiding aan de academie, en hij werd schilder, tekenaar, graficus.


Aan tafel probeer ik nieuwe krijtjes uit. Impulsief teken ik een huis, een paadje er naartoe, een paar vensters, een rieten dak, een bankje, een rozenstruik. Een open deur met een man erin, handen in de zij. Met een in water gedoopt kwastje kan ik het krijt vloeibaar maken, de kleuren lichten daardoor ook op. Naast mij zit mijn zoon van acht, hij speelt met lego.

Een paar dagen later komt hij aanzetten met mijn tekening. Mama, ik wil dit ook maken, zegt hij. Maar hoe doe ik dat? Ik geef hem aanwijzingen, teken voor hoe ik het paadje naar de deuropening toe iets smaller laat worden, hoe je een trapje kan stapelen van balken, met rechte en schuine lijntjes. Nooit eerder zag ik hem zo lang en geconcentreerd werken aan een tekening. Je kan nog zo veel prachtig geïllustreerde boeken voorlezen, schilderijen ophangen boven de bank en de eettafel, maar pas als een kind ziet hoe iets uit je handen komt, slaat de vonk over.


De kunstenaar, hij is rond de zestig, vertelde ook hoe hij het afgelopen jaar opnieuw samen met zijn moeder was gaan tekenen. Zij leed al lang aan dementie, een gesprek voeren ging niet meer. Aan het eind van haar leven beleefden ze opnieuw die intimiteit van het tekenen, voorbij de taal.

14 views

© 2020 Anneke van Wolfswinkel. Gebouwd met Wix.com