Search
  • Anneke van Wolfswinkel

Doe iets! De schrijver, de schilder en de stille achterkamer


Ik las vorige week de dichtbundel van Marlene van Niekerk, ‘In de stille achterkamer.’ De bundel omvat twee reeksen: één met gedichten bij de stillevens van Adriaen Coorte, één met gedichten bij schilderijen van Jan Mankes. Op iedere linker pagina: verstilde kunst, gemaakt in twee stille achterkamers, Coorte in de 17e en Mankes in de vroege 20ste eeuw. Rechts de aandachtig kijkende, aftastende, soms zintuiglijke poëzie, ook geschreven in een stille achterkamer, van de Zuid-Afrikaanse dichter.


In diezelfde week was ik een avond bij Club Solo in Breda, waar een schilder en een fotograaf met elkaar in gesprek gingen. Over die achterkamer, en over de wereld daarbuiten. Stijn Peeters, ik blogde al eerder over hem, maakte een monumentaal schilderij over de vluchtelingenstroom. Al jaren verzamelt hij foto’s van mensen op de vlucht, uit kranten, en in zijn atelier kijkt hij, tekent hij, componeert hij. In een groot schilderij zitten maanden werk. Al die tijd is hij met zijn gedachten bij het lot van die vluchtelingen. Soms dekt hij het schilderij in wording af met een laken als hij in zijn atelier even met iets anders bezig wil zijn.

Maar: hij voelt zich ook ongemakkelijk, zo zegt hij eerlijk. Want hij komt zijn atelier niet uit, gaat niet naar Lampedusa of Lesbos, en ook niet naar een AZC om de hoek. Hij helpt niet, hij doet niks, hij trekt zich terug en schildert. ‘Soms denk ik,’ zo zei hij, ‘dat ik beter kan stoppen met schilderen en iets nuttigs kan gaan doen.’

Gesprekspartner die avond was Piet den Blanken, documentair fotograaf sinds de jaren ’80, die wél naar de plekken gaat waar de migranten tegen hekken aanlopen, gevangen genomen worden, ondergronds proberen te overleven, sterven: hij staat er midden tussen, met zijn camera, en toont de beelden via de media aan de wereld. Helpt hij? Hij fotografeert. Zoals hij zelf zei over vluchtelingenkampen of oorlogsgebieden: ‘Als ik daar ben, ben ik bezig beelden te maken. Als ik mijn camera niet had, zou ik ook niet weten wat ik zou moeten doen.’


Piet den Blanken: vluchtelingen voor het Greek Counsel for Refugees in Athene

Op de autoradio onderweg naar Breda, zowel op de heenweg als de terugweg, werd gesproken over de ontberingen die vluchtelingen moeten doorstaan. Over het schip Aquarius ging het, overvol met uitgeputte migranten, dat met de grootste moeite toestemming krijgt om een Europese haven aan te mogen doen. Een hulpverlener van Oxfam Novib vertelde hoe grenswachten in Noord-Italië aan de grens met Frankrijk alleen reizende kinderen duwen, terugsturen, treiteren. Door ze hun schoenen af te pakken, bijvoorbeeld.


De vraag of de kunst, of de literatuur wel of niet geëngageerd zou moeten zijn, is tot op heden nooit afdoende beantwoord met ‘ja’ of ‘nee’. Is het niet immoreel om je leven te wijden aan het schilderen van asperges en perziken (Coorte) of kerkuilen en flessen (Mankes)? Is poëzie schrijven over schilderijen niet volkomen zinloos? Hééft iemand daar iets aan?


Valeria Luiselli

Toen ik de overwegingen hoorde van de kunstenaar en de fotograaf, die aan de zijlijn blijven staan, moest ik denken aan Valeria Luiselli. Ik was in juni 2016 bij een lezing die ze gaf in Amsterdam. Had al haar boeken met groot genoegen gelezen: haar debuut ‘Valse papieren’, daarna ‘De gewichtlozen’ en ‘De geschiedenis van mijn tanden’. Een ongekend frisse, poëtische, intelligente, experimentele, nieuwe stem in de literatuur. Ik hing aan haar lippen, daar in de Rode Hoed, toen ze gedeeltes voorlas uit de nieuwe roman die ze aan het schrijven was. Over een reis las ze, die ze met haar man en kinderen maakte, met de auto door de Zuidelijke staten van Amerika. Over haar Mexicaanse afkomst ging het, hoe ze als immigrantengezin in Amerika er bij hoorden en toch anders bekeken werden. Het ging ook over de reportages die onderweg voortdurend klonken uit de autoradio, over de kinderen die in grote aantallen de grens over probeerden te steken tussen Mexico en de VS. Kinderen, tienduizenden, die alleen reisden, zonder hun ouders, vanuit Centraal-Amerikaanse landen: Honduras, Guatemala, Mexico zelf. Ze vervlocht e-mails met de organisatie van de lezing in haar verhaal, en Polaroidfoto’s die een eigen verhaal vertelden– een literaire performance van de bovenste plank. Na de lezing keek ik dan ook reikhalzend uit naar het boek.


De roman is er, twee jaar later, nog steeds niet. Wel verscheen begin 2017 het essay in boekvorm ‘Tell me how it ends’. Daarin schrijft Luiselli dat ze zich in 2015 heeft aangemeld als vrijwilliger bij de Federale Immigratie Rechtbank van New York City. ‘My task there is a simple one’, schrijft ze in het begin, ‘I interview children in court, following the intake questionnaire, and then translate their stories from Spanish to English.’ Een eenvoudige taak, inderdaad. Ze kan iets doen, iets nuttigs. Maar dan vervolgt ze: ‘But nothing is ever that simple. I hear words, spoken in the mouths of children, threaded in complex narratives. They are delivered with hesitance, sometimes distrust, always with fear. I have to transform them into written words, succinct sentences, and barren terms.’

Het boek is een bijzonder indringend verhaal, over wat er écht gebeurt, met die kinderen, sommige nog maar vier, vijf jaar oud. IJzingwekkend beschrijft ze hoe de verhalen van geweld en angst en armoede verloren gaan in het kille beleid van de overheid en de zakelijke formulieren van de rechtbank. Luiselli doet het allebei: ze doet iets, ze helpt zo goed als ze maar kan in de onmogelijke omstandigheden, én ze maakt er een literair essay van.


Terug naar Van Niekerk. Zij schrijft over stillevens en (zelf-)portretten, over het teruggetrokken bestaan in de achterkamer, ver van het woeden van de wereld. Schilderij-staren is ongeveer net zo geëngageerd als navelstaren: niet. Maar Van Niekerk is wel degelijk een schrijfster die in haar werk blijk geeft van een diepe betrokkenheid bij de wereld van hier en nu. Ze schreef de romans Triomf (2000) en Agaat (2004), die beide gesitueerd zijn in het maatschappelijk krachtenveld van haar land, Zuid-Afrika. De vijandige verhouding tussen blank en zwart, de verwoestende gevolgen van armoede, mishandeling van vrouwen en kinderen – het hele, harde, verscheurde leven tekent ze uit in haar boeken. Waarom heeft ze zich dan, voor deze dichtbundel, teruggetrokken in die stille achterkamer, om zich te buigen over het werk van twee Nederlandse schilders?


In de gedichten richt ze zich tot de schilders, in de jij-vorm. Ze beschrijft het licht dat bij Coorte zo wonderlijk op, of misschien in, de geschilderde asperges, perziken en kruisbessen lijkt de gloeien:


Adriaen Coorte, Stilleven met een takje kruisbessen, 1710, The Cleveland Museum of Art, Leonard C. Hanna, Jr.-fonds

Jouw schilderslicht heeft niets te maken

met de zon, met schreef of hor of venstergat,

noch is het van de dag afkomstig of in warmte

gedoopt, maar gedept met iets beschouwelijks

of, veeleer, daarin vastgehouden – een koele

greep op wat volledig onbegrijpelijk is (…)



In haar poëzie over het werk van Mankes volgt ze in haar woorden de subtiele schakeringen van de verf:


Alles wat jij schildert is een talisman,

Hier, kwart vol, een oliefles

Op tafel met zijn schaduw op de muur,

Als tweeling, aan elkaar gewaagd,

Van niets en onbenulligheid, een paar, gemerkt

Door contingenties van gebruik –

Een dagelijks gebruikte oude kurk,

Bruine vlekken in de hals, een droesem

Van onzuiverheid, de olie voor de kijker

In lukraak middaglicht verpakt en precies

Vergeeld weerkaatst. Het bijschrift

Met zijn aureool van roest is halfweg

In de wand blijven steken – een spijker

Waaraan ooit iets hing, een zift,

Een lap, een stilleven.



Tussen de twee delen van de bundel in, in het hart als het ware, staat een afwijkende tekst. Meer proza dan poëzie. In dit stuk legt Van Niekerk de verbinding tussen de achterkamer en de buitenwereld; haar engagement.

Opnieuw spreekt de dichter, Marlene Van Niekerk, de schilder, Adriaen Coorte, aan.

Ze vertelt hem over haar voorvader, Cornelis Gerritsz Nieuwenkerk, de ‘oer-van Niekerk’. Ineens zijn Coorte en Van Niekerk heel dicht bij elkaar: 'Adriaen, het rare is dat jullie tijdgenoten waren en uit dezelfde klei getrokken (…)'

Cornelis Nieuwenkerk was een Hollander, een kolonist die zich vestigde aan de Kaap, wat nu Zuid-Afrika is. Een rijk man. Marlene van Niekerk is door deze voorvader, door deze koloniale geschiedenis, bepaald. En ze ziet haar schrijverschap ook in dat perspectief: 'Men weet: uit handen zo bevoorrecht komt vaak alleen maar schrijverij.' Dan trekt ze de geschiedenis van ongelijkheid en onderdrukking door naar het heden:


‘Nog maar pas begonnen zij [Europeanen, AvW] te blozen van hun prikkeldraad tegen ‘ongewensten’, vluchtelingen, die met hun hongerboten uit Syrië en Somalië, uit Libië en Soedan schipbreuk lijden voordat zij aanspoelen bij de kusten van Italië. Mijn lot is door mijn huidskleur lichter; mijn taak, bezwaard, was om in enkele gedichten het Diets van het creoolse zuiden met gedeelde touwtjes semantiek te knopen aan jouw schilderijen.’


Ze eindigt in vertwijfeling, zoekend naar een rechtvaardiging voor haar gedichten. 'Zal men in een pauze tussen oorsprong en bestemming, door de stampij aan beide kusten uit het lood geslagen, de lichtval op twee Coorte-schelpen herkennen als soelaas?'


Tot slot: Van Niekerk stelt ook, in een gedicht bij een stilleven van vier abrikozen, de vraag aan Adriaen Coorte, naar zíjn engagement. Want in de tijd van Coorte dreunde de grond óók van oorlog en strijd, dichtbij en ver weg. Een dichterlijk antwoord op die onbeantwoorde vraag: of kunst geëngageerd moet zijn.


(...)

Wat zou je weerwerk zijn als iemand

trachtte jou te werven als een slagveld-

of portretschilder? Als jij - gelijk de dichter

die geen handlanger wil zijn - beschimpt zou zijn

om een gebrek aan trouw? Als de een of andere

blaaskaak in een gardebroek, een veldheer

of een zijner vazallen jou zou hekelen als

homo die zich bemoeit met bessenblad?

En medeschilders hoogmoedig meenden dat

jij blo en onbetrokken bent, een gezant

van mispels op een plint?


Ik stel me voor hoe jij de punten

van je kraag platstrijkt en zwijgt en naar

je eigen plannen ginder staart. Je wist allicht:

geen plaats voor schilders zonder ergens slacht-

partijen en een meute die crepeert, maar dat een

schuldgevoel in dit verband niets meebrengt

aan tegoed. Dat als je ook maar iets hebt

kunnen waarmaken en tonen, het zomerhitte

was, spiralend in het vlees rondom het niets-

ontziende zaad dat knalt en schiet en onverpoosd

het kruit verzoet in abrikozen van illusie.


Adriaen Coorte, Vier abrikozen op een stenen tafel, 1698, Privécollectie

57 views

© 2020 Anneke van Wolfswinkel. Gebouwd met Wix.com