Search
  • Anneke van Wolfswinkel

Echt of niet echt, dat is de vraag

Updated: Dec 12, 2018

Kunst is een beproefd middel om die eeuwige vraag telkens weer af te tasten: wat betekent het, mens te zijn? De afgelopen tijd zag ik in kunstruimtes en in het theater de pogingen van kunstenaars om het menselijke te verbeelden. Met als terugkerende vraag: wat is echt en wat is onecht?


Still uit 'The Model', Swaeny Nina

In de expositie ‘Het transparante ik’ in het Temporary Art Center (TAC) in Eindhoven bracht kunstenaar en curator Griet Menschaert werk van twee kunstenaars samen. In de video ‘The Model’ van Swaeny Nina komt een jonge vrouw vanuit de verte op je toelopen; na een paar passen zie je dat ze niet echt is, maar een computer-gegenereerde figuur. Ze doet denken aan avatars uit geavanceerde games. Het alter ego van de kunstenaar loopt, gaat door de knieën, danst, alsof ze een mens is. Haar gezichtsuitdrukking is neutraal. Ze is een lege huls, een mens zonder vlees of bloed, zonder vonk, zonder herinnering of verbinding met anderen, zonder verhaal.

Het werk van Bas Wilders ernaast vormt een sterk contrast. Hij maakte foto’s en video’s van zijn zeer oude moeder. In de video ‘Weet’ zoomt hij in op haar handen, die op tafel steunend stram meebewegen met iets dat ze vertelt – wat dat is weten we niet, want er is geen geluid bij. Een foto (‘Ziet’) komt dicht op de gerimpelde huid van haar gezicht. Ook is er een sferisch beeld (‘Droomt’), dat ik interpreteer als een weergave van haar innerlijk, waar de mist van de hoge ouderdom de contouren van de herinneringen vervaagt en verzacht. Het werk is door en door menselijk en intiem, ontstaan vanuit de relatie van een zoon met zijn moeder.


Bas Wilders: 'Ziet'

Griet heeft tussen het werk van deze twee kunstenaars een tekst geplaatst, met een ouderwetse overhead projector: ‘Technisch gezien word je steeds minder bruikbaar’. Gezet naast de beelden van de oude moeder gaan mijn gedachten vanzelf richting de mens die geen nut meer heeft voor het productie- en consumptieproces, die niets bijdraagt aan het draaiende houden van de economie. Maar het is een uitspraak die vroeg of laat ook op mijzelf kan slaan, of op iedereen die in beslag wordt genomen door ziekte of depressie, verliefdheid of relatiebreuk, mantelzorg of ouderschap, kortom, door het mens-zijn. Technisch gezien onbruikbaar.

Ook filosoof Leon Heuts schreef een tekst, poëtisch, over intimiteit en lichamelijkheid, waarin hij oproept het over ‘extimiteit’ te hebben, een soort variant op ‘intimiteit’. Nu het ruim een week geleden is dat ik de tekst las, twee keer achter elkaar, kan ik de inhoud nauwelijks meer voor de geest halen. Alles in de expositie is geprojecteerd met beamers, niet alleen de video’s en foto’s, maar ook dit korte essay. Als een autocue glijdt hij over het scherm. Alles in deze expositie is ontastbaar, ongrijpbaar – behalve de bijschriften, die met potlood op wit karton geschreven in een vitrine liggen.


De keuze om geen afdrukken van foto’s en geen gedrukte teksten te laten zien, is een weloverwogen keuze van Griet, en raakt aan de kern van de expositie. Door de transparantie en vluchtigheid van de presentatie is het moeilijk voor de bezoeker om een verbinding aan te gaan met wat er te zien is. Geen tegenbeweging tegen de vluchtigheid van de beeldcultuur dus, maar een verheviging ervan. We scheren al scrollend langs beelden en teksten, van ochtend tot avond, en weinig beklijft. Ook bij deze tentoonstelling blijven de beelden ‘dun’ in de herinnering, als doorschijnende geesten zweven ze nog voor mijn geestesoog, oplossend in het niets. Ja, die handen blijven me bij, van de moeder, die ontroerden me. Het leven samengebald in stijf geworden rimpelvingers; deze handen hebben ooit het hoofdje en ruggetje gestreeld van de baby die nu de man geworden is die deze foto’s heeft gemaakt. Dát geeft de beelden betekenis. De zielloze namaakmens in The Model is een schrikbeeld van een wereld waarin alles wat ons menselijk maakt, als lastig en onbruikbaar terzijde is geschoven.


In het Stedelijk Museum Breda sprak ik afgelopen zondag in een artist talk met Robin Uleman. In zijn expositie Quarantaine toont hij tekeningen en schilderijen, waarop hij zichzelf en zijn vriendin heeft verbeeld. Ze zijn met een grote precisie getekend – zelf noemde hij zijn werkwijze ‘monomaan’ - , in potlood, houtskool en krijt. De tekeningen van Robin hebben nadrukkelijk wél een materialiteit. De stoffelijkheid van huid en haar is vertaald naar de materie van krijt, verf, grafiet, pigment, papier, doek. Het poederachtige van het pastelkrijt, het met de vingertoppen verdoezelde houtskool. Hij vertelde over zijn grote bewondering voor Lucian Freud, de kunstenaar die de aardse zware aanwezigheid van het lichaam in ieder schilderij weer benadrukte.


Robin Uleman - My Room, 2015-2016

Robin Uleman - Her Room, 2015-2016

Iedere vlek op de huid, de onderliggende aderen, waterdruppels van na het baden, alles is te zien, haarscherp, echter dan echt. Hij vertelde dat hij aan een grote tekening twee weken werkt, tien uur per dag. Al die tijd kijkt hij dus naar zichzelf, of naar zijn vriendin. Het gekke is, zei hij, dat hoe langer je kijkt en hoe vaker je jezelf tekent, hoe sterker je voelt dat je op een laag stuit waar je niet bij kan. Waar je geen greep op hebt. Bij de ander, maar ook bij jezelf. Een kern van jezelf die zich niet laat kennen of verklaren.

Wanneer het over deze raadselachtige ervaring gaat van twee ‘stemmen’ of ‘blikken’ in ons bewustzijn die ons in staat stellen op onszelf te reflecteren, denk ik aan psalm 139, die ik als kind al mooi vond. De diepe troost, te geloven dat die kern van jezelf, die je zelf niet kan vatten, gekend en geliefd is.


‘Heer, Gij doorgrondt en kent mij;

Gij kent mijn zitten en mijn opstaan,

Gij verstaat van verre mijn gedachten;

Gij onderzoekt mijn staan en mijn liggen,

met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd.

Want er is geen woord op mijn tong,

of zie, Here, Gij kent het volkomen;

Gij omgeeft mij van achteren en van voren

en Gij legt uw hand op mij.

Het begrijpen is mij te wonderbaar,

te verheven, ik kan er niet bij.’


In het theater zag ik het stuk ‘Cinema’. Het decor bestaat uit de trapsgewijs geplaatste stoelen van een klein bioscoopzaaltje, waardoor het toneel een soort spiegeling werd van de tribune waarop het publiek zit. Wij, de toeschouwers, zitten op de plek waar het filmdoek hoort te zitten, er achter in feite. Drie acteurs spelen de jonge mensen die het oude bioscoopje draaiende houden; telkens weer vegen ze na afloop van de film de popcorn tussen de stoelen weg. Sam (Mark Kraan), die al jaren veegt en kassa draait en nog nooit de projector heeft mogen bedienen, de enige 35 mm filmprojector in de wijde omgeving, die nog échte films draait, op grote rollen die in blikken liggen opgestapeld. Nieuweling Avery (Emmanuel Ohene Boafo), student semiotiek, is idolaat van film, speciaal van die ‘echte’ rolprent. En dan is er de postpuberale druktemaker Roos (Eva Laurenssen), die wél tot de felbegeerde rang van operateur is opgeklommen.


Scènefoto 'Cinema', Theatergroep Oostpool en Het Nationale Theater, foto: Sanne Pepper

Tijdens het voortdurende vegen ontvouwen zich de persoonlijkheden van de drie. Vertrekkend uit het praten over favoriete films leggen ze steeds meer lagen van zichzelf bloot. Terloops, onhandig, met schijnbewegingen en verkeerd begrepen signalen zien we steeds meer van hun verlangens, hun angsten, de families die hen gevormd hebben, hun dromen en desillusies. Als een spiraal die steeds dichter bij die kern komt die Uleman ook in zijn werk nadert, en die hem ook ontglipt. Heel soms is er echt contact tussen de personages, even. Het is humoristisch en het is ontroerend. Het oorspronkelijke stuk is Amerikaans, geschreven door Annie Baker (1982), het is in het Nederlands vertaald door Ariane Schluter, en wordt geregisseerd door Jeroen de Man.


De spanning tussen werkelijkheid en fictie loopt als rode draad door het stuk. Met name Avery vlucht het liefst in de schijnwerkelijkheid van de film; in het echte leven kampt hij met depressies en wordt hij als zwarte jongeman geconfronteerd met racisme. Hij heeft het gevoel dat iedereen fake is, dat iedereen zich gedraagt als een cliché van de groep waartoe hij behoort: zwarte mensen gedragen zich als cliché van zwart zijn, witte mensen als cliché van wit zijn, fulmineert hij tegen Roos, en voegt eraan toe dat ook Roos een cliché faket van, nou ja, van wat zíj is. Hij verlangt naar authenticiteit, naar echt mens-zijn, wat dat dan ook is, maar vindt dat niet in de echte wereld. Wat hij zoekt, vindt hij in de illusie van de film. Visueel is deze paradox mooi uitgewerkt: als Avery en Roos samen een film gaan kijken, wordt die film, spiegelbeeldig, over hen heen geprojecteerd, als een soort weerschijn van het filmdoek. De zeer ongemakkelijke seksuele ‘toenaderingspoging’ van Roos vindt plaats in poelen van licht en donker van de openingsscène van La Grande Bellezza, met veel dramatisch aangezette Italiaanse zang.

Ook hier, net als in TAC, een spel met de transparantie van de projectie. Door deze projectie heen zie je de mens, met lichaam en ziel, die ernaar verlangt doorgrond en gekend te zijn.


Foto: Sanne Pepper

Maar ho eens even, die echte mensen daar op het podium, met lichaam en ziel, etcetera, dat zijn acteurs, mensen die het faken tot hun beroep hebben gemaakt. De realistische, ogenschijnlijk natuurlijke dialogen, zelfs de veegbewegingen waarmee de bezems de popcorn opvegen, alles is eindeloos gerepeteerd, erin gestampt, geconstrueerd – om zo echt mogelijk te lijken, zo vertelt het programmaboekje.


Ook Robin Uleman benadrukt dat zijn pijnlijk realistische tekeningen, die nietsverhullend eerlijk lijken, een fictie zijn. Híj kiest wat hij tekent en hoe hij het tekent, hij beslist ook wat hij níet van zichzelf laat zien, wat hij weglaat. Hij ziet de tekeningen dan ook niet als portretten of zelfportretten in de traditionele zin van het woord, maar als een constructie, een fictie. Vergelijk het met de boeken van Karl Ove Knausgard, die ogenschijnlijk elk alledaags detail van zijn leven, zijn waarneming en zijn herinnering optekent, maar daarmee nauwgezet zíjn versie van de werkelijkheid construeert: een fictie.


Dat is het wonderbaarlijke van kunst, of het nu een verhaal is, een tekening of een theaterstuk: alleen door de verbeelding krijgt de werkelijkheid vorm. Wij maken een verhaal van een reeks losse voorvallen, we maken een film met een plot, een beeld met een doordachte compositie. Zo scheppen we zin en samenhang, een verhaal waar we in kunnen geloven.

We zijn mensen, we kunnen niet anders.


Het transparante ik, t/m 23 december 2018, TAC Eindhoven. Op 15 december om 15:30 uur geeft Griet Menschaert een gratis rondleiding!

Robin Uleman, Quarantaine, t/m 3 februari 2019, Stedelijk Museum Breda

Cinema door Theatergroep Oostpool en Het Nationale Theater t/m 20 december in verschillende Nederlandse theaters. Check de speellijst.

82 views

© 2020 Anneke van Wolfswinkel. Gebouwd met Wix.com