Spiegelpaleis van onze angsten

Theatermaker Dries Verhoeven bedacht een spookhuis annex spiegelpaleis van onze angsten. ANNEKE VAN WOLFSWINKEL reed er in een autootje doorheen en sprak met hem. “Het is de taak van de kunstenaar om te verwarren.”

Buiten zijn de terrassen vol, binnen heersen duisternis en stilte. Met een hand zoekend langs de wand van de zwarte tent loop ik naar de plek die me is aangewezen. In een schemerig licht doemt een spookhuis-autootje op; ik weet niet of ik dat grappig of onheilspellend vind. De komende drie kwartier moet ik me overgeven aan een rit door het theater van de angst.

 

Phobiarama lijkt een klassiek spookhuis, al komt er geen spook of spinrag in voor. Het is een kunstwerk dat zich vermomt als iets anders. Die strategie van vermomming paste Dries Verhoeven (Oosterhout, 1976) de afgelopen jaren wel vaker toe. Zo organiseerde hij in 2013 een serie uitvaarten vanuit de katholieke Willibrorduskerk in Utrecht, waarin plechtig afscheid werd genomen van waarden. De onschuld werd begraven, evenals postkoloniale schuldgevoelens, onze privacy en het geloof in God. Compleet met kist, koor, afscheidsredes, liturgische gewaden en een processie door de stad. Ook stelde hij levende mensen tentoon in glazen vitrines, midden op straat. Buitenissige types, van een gewapende jongeman met bivakmuts tot een naakte vrouw op leeftijd. Voor het Stedelijk Museum ‘s-Hertogenbosch maakte hij 44 maquettes van rampgebieden en liet er mierenkolonies in leven. De vorm is bij zijn werk vaak in één oogopslag herkenbaar: spookhuis, begrafenisstoet, freakshow. Maar achter die eenvoudige vorm gaat bij Verhoeven altijd een complexe inhoud schuil. Hij lokt je naar zich toe met de belofte van sensatie, en schudt je vervolgens op geraffineerde wijze door elkaar.

Een paar dagen nadat ik Phobiarama heb gezien, spreek ik Dries Verhoeven via Skype. Waarom hij een werk wilde maken over angst, vraag ik hem. “Omdat de dreiging en argwaan in onze tijd me enorm aan het hart gaan”, antwoordt hij. “Iedereen gebruikt dreigingsretoriek. Om te beginnen terroristen, die met aanslagen dreigen. Vervolgens de rechts-populistische partijen die de angst voor terrorisme aanwakkeren en ons leren om hele bevolkingsgroepen met argwaan te bekijken. Mensen die dáár weer tegen ageren, wakkeren de angst voor het gevaar van het rechts-populisme aan.”

Ook in heel andere hoeken zie je dat mechanisme. Al Gore schetst een angstaanjagend beeld van naderende klimaatrampen, mensen in de cultuursector spraken na de zware bezuinigingen in 2012 van “het einde van de beschaving”. “Wie bang is gemaakt, is ontvankelijker voor willekeurig welke boodschap.” En het gekke is: ergens vinden we die angst wel lekker. We stappen vrijwillig een achtbaan of een spookhuis binnen, kijken met verhoogde hartslag naar horrorfilms. En beelden van immense aanslagen, zoals op de Twin Towers, blijven we maar herhalen. “Het groteske fascineert ons.”

 

Wie zich als kunstenaar in het mijnenveld van de maatschappelijke oververhitting begeeft, maakt makkelijk fouten. Luidkeels stelling nemen. Preken. Meeschreeuwen met de roeptoeters, of juist schreeuwen tégen de roeptoeters. Cynisch worden, of betweterig. Verhoeven balanceert op dat slappe koord zonder er links of rechts af te vallen. Phobiaramadraait om angst, laat je ervaren hoe je eigen angst wordt opgewekt, hoe makkelijk je bespeeld wordt, en door wie. Maar Verhoeven biedt geen oplossing, geen antwoord. Hij kiest geen partij. En dat is een grote verdienste in een tijd waarin alleen nog mensen die hard schreeuwen gehoord lijken te worden.

Verhoeven balanceert, maar is stellig over wat hij doet. “Het is de taak van de kunstenaar om te verwarren. In de politiek zie je dat de complexe problemen waar we voor staan, beantwoord worden met ferme taal, met beloftes van eenvoudige oplossingen. Maar complexe problemen kun je alleen maar goed benaderen met twijfel.”

 

Twijfel wordt te vaak gezien als een teken van zwakte. Wie openlijk twijfelt in de politieke arena, wordt weggehoond door het publiek, dat schreeuwt om iemand met een antwoord, iemand die krachtig stelling neemt. Twijfel maakt ons ongeduldig, twijfel is niet sensationeel, twijfel is nodeloos ingewikkeld. En op social media geldt de wet van de sterkste: wie overdrijft, krijgt aandacht. Wie shockeert, wordt trending. De vet aangezette soundbite gaat viral, een lijsttrekker die genuanceerd spreekt, wordt onzichtbaar en verliest de volgende verkiezingen. De dwang van versimpeling en hyperbool zet iedereen voor het blok.

Dries Verhoeven voelt die dwang haarfijn aan. Hij verzet zich er niet tegen, maar hij gebruikt het, als manipulatiestrategie. Hij provoceert, hij verleidt, hij overdrijft – met mierenkolonies, een glazen huis, een begrafenisstoet, een IS-leus op een lichtkrant. Mensen roepen meer dan eens om een verbod van zijn werk: een bijna naakte vader met een bijna naakte dochter op schoot (seks!), een uitvaart vanuit een gewijde kerk waarmee het godsgeloof wordt begraven (heiligschennis!), het openlijk projecteren van flirterige Grindr-chats tussen hemzelf en andere mannen (privacy-schending! Homoseksualiteit!)

Verhoevens klare beeldtaal is ontegenzeggelijk mediageniek. Maar als hij je eenmaal naar zich toe gelokt heeft, volgt geen sensationeel entertainment of een boude uitspraak. Je staat daar, je kijkt, en voelt je ongemakkelijk. Je zoekt houvast, je stelt jezelf vragen. Wat voel ik bij die vader en dochter achter glas? Waarom lees ik watertandend zo’n chat terwijl het zo intiem is? Zou ik me eigenlijk wel willen aansluiten bij die begrafenisstoet? Waarom voel ik angst als ik in dit wagentje stap? De sensatie die je verwacht, blijft uit, de twijfel bekruipt je. Door zijn werk laat Verhoeven zien dat twijfel geen zwakte is, maar juist een grote kracht. Wie twijfelt over wat hij ziet, staat open voor het onbekende. Alleen wie open staat, kan zijn ideeën over de werkelijkheid even opschorten en op andere gedachten komen. En dat vergt van de maker én de toeschouwer meer inspanning en moed dan het domweg verkondigen van een mening.

 

Het werk van Dries Verhoeven lijkt ook te twijfelen over wat het zelf is: beeldende kunst of theater? Zijn werk is te zien in musea, maar vooral op straat, tijdens festivals als Oerol, Boulevard, of het Holland Festival. En dan het liefst op een plek waar mensen er per ongeluk op stuiten – en dus al beginnen te kijken met twijfel. Loopt daar nou een begrafenisstoet langs mijn Albert Heijn? Zie ik daar nu echt een mens in een glazen kooi op de Stadhuisbrug staan? Sinds wanneer staat er een spookhuis op het Mercatorplein? Ook over de performers die Verhoeven inzet ben je niet helemaal zeker. Acteren ze eigenlijk wel, of zijn ze vooral zichzelf? Er komt nooit een applausmoment; de grens tussen kunst en werkelijkheid, tussen de performance en wat daarna komt, blijft ongewis.

 

Als ik na drie kwartier weer naar buiten kom uit Phobiarama, moet ik met mijn ogen knipperen tegen het felle licht. Ik heb nog helder voor ogen wat ik binnen gezien heb: beelden met de krachtige eenvoud van archetypen. Ik weet nog precies wat ik gehoord heb: stemmen die ik ken uit de maatschappelijke arena, woorden die door blijven zeuren in de onderbuik. Maar in die helderheid schuilt de kiem van verwarring. In het spookhuis voelde ik angst, maar waarvoor precies? Was daar binnen eigenlijk wel gevaar? Of was ik veilig in die tent en ga ik als ik het plein op loop pas het échte theater van de angst in?

Gepubliceerd in ZuiderLucht, 1 augustus 2017

© 2018 Anneke van Wolfswinkel. Gebouwd met Wix.com