Search
  • Anneke van Wolfswinkel

De ruimte tussen man en vrouw (longread)

Bij de beschrijving van de stem van Lucile Richardot gebruikte ik het woord ‘genderfluïde’. Ik had ook kunnen zeggen: ‘androgyn’, mannelijk en vrouwelijk tegelijk. Dit vrijelijk bewegen in het gebied tussen man en vrouw, dat ik maar even de ‘androgyne ruimte’ noem, fascineert mij mateloos, en daarom nu een wat uitgebreider stuk hierover.


Het gekke is nu, dat wat ik ervaar als een persoonlijke interesse, een privékwestie eigenlijk, de laatste tijd nogal all over the place is. Sterker nog: het omarmen van alles wat queer is, lijkt wel een nieuwe graadmeter voor progressieve politieke correctheid te zijn. Denk aan de uitentreuren bediscussieerde genderneutrale toiletten, de NS die geen ‘dames en heren’ meer zegt, maar ‘beste reizigers’, de Duitse ‘gendersterretjes’-discussie, openlijk genderfluïde publicisten als Maxim (voorheen Marjolijn) Februari, Simon(e) van Saarloos en Mounir (voorheen Monique) Samuel. En Arie Boomsma die de ene na de andere transgender bemoedigend toeglimlachte in het TV-programma Hij is een Zij. Etcetera.


Waar de maatschappelijke discussie zich al snel vernauwt tot een gehakketak over welke afkorting recht doet aan zoveel mogelijk variaties en dus zo min mogelijk mensen kwetst (de teller staat nu op 8 letters: LGBTQIAP) geven kunst en literatuur gelukkig meer ruimte aan verbeelding, onzekerheid, dubbelzinnigheid, vloeibaarheid en transformatie, juist de dingen die het androgyne zo boeiend maken.




Twee 'genderfluïde' kunstenaars die de afgelopen jaren veel indruk op mij maakten, zijn Roni Horn en Cassils. Van Roni Horn zag ik het werk a.k.a. (2008-2009) in De Pont. Op een 65 meter lange wand hingen 30 foto’s, telkens in paren, allemaal portretten van Roni Horn. Als kind, als jong meisje, als de androgyne oudere vrouw die ze nu is. Fascinerend eraan is hoe één mens in de loop van één leven zo sterk van gedaante kan veranderen, iedere levensfase, iedere foto, ieder moment. Bij Roni Horn wisselt het beeld ook tussen meisjesachtig en jongensachtig, vrouwelijk en mannelijk. Door de ogenschijnlijk simpele ingreep van telkens twee foto's naast elkaar te plaatsen, beelden die meestal oorspronkelijk niet als kunstwerk bedoeld zijn, en daar een lange reeks van te maken, duizelt het de toeschouwer al gauw. Bij mij riep dit werk diepgaande vragen op over wat het betekent een persoonlijkheid te hebben, een mens te zijn, een leven lang dezelfde en toch telkens transformerend.


Foto's hierboven: Roni Horn, a.k.a. (2008-2009)

Die transformatie zag ik ook bij de Canadese kunstenaar Cassils, bij MU in 2015. In een extreme fysieke en mentale inspanning transformeert ze haar vrouwelijk lichaam tot mannelijk. In de performance ‘Becoming an image’ vecht ze tot het uiterste met een blok klei, een worsteling van mens en materie. De beelden vind ik heftig, maar haar gevecht en wilskracht dwingen ook respect af.


Foto: Heather Cassils en Eric Charles

Heather Cassils, Becoming an Image (dyptich)

Ook in de literatuur wordt de androgyne ruimte verkend. Onbetwiste klassieker op dit gebied is de schitterende, levenslustige en knotsgekke roman Orlando, van Virginia Woolf, uit 1928.


Van Orlando wordt in de openingszin nogal nadrukkelijk vastgesteld dat hij een man is. He – for there could be no doubt of his sex, though the fashion of the time did something to disguise it – was in the act of slicing at the head of a Moor which swung from the rafters. Hij is een jonge edelman in het jaar 1586, die zijn verveling verdrijft door in één van de 365 kamers van het voorouderlijk kasteel met de schedel van een Moor te lamballen. Jaren later, in een nacht, na een feest waarin hij tot hertog wordt verheven, valt hij in een diepe, onwereldse slaap, en wanneer hij eindelijk weer ontwaakt, is hij een vrouw. Orlando aanvaardt deze nieuwe staat van zijn met gepaste kalmte. De tijd verloopt binnen in Orlando langzamer dan buiten haar. In het begin van het boek is Orlando een jongen van zestien en het is de late zestiende eeuw. Op het eind van het boek is het 1928 en zijn we in Londen, de tijd en plaats waarin Woolf dit boek schreef. Orlando is in al die eeuwen hooguit dertig jaar ouder geworden. Haar naam blijft hetzelfde, haar verschijning evolueert, is aan langzame en voortdurende veranderingen onderhevig, zoals bij ieder mens. Maar tegelijk blijft ze dezelfde persoon als ze was.


Virginia Woolf, Orlando, 1928 (eerste druk)

Orlando is het androgyne personage bij uitstek: She belonged to neither [sex], she was man, she was woman; she knew the secrets, shared the weaknesses of each.

Woolf rekt de androgyme ruimte in dit boek tot het uiterste op. Orlando verenigt in zijn karakter zeer verschillende, vrouwelijke en mannelijke eigenschappen. Hij is een edelman, een dichter, en kan zich overgeven aan melancholieke mijmeringen over de schoonheid van de natuur; hij werkt zijn leven lang aan zijn grote epos, een lang en lyrisch gedicht over een eik. Maar hij zoekt ook het gezelschap van ruwe zeelieden (als man) en eenvoudige meisjes van plezier (als vrouw), verleidt vrouwen in kroegen (zowel als man, als als vrouw), waarbij zijn schitterende benen menigeen in vervoering brengen.


Bij één personage trekt Woolf werkelijk alle registers van sekse-verwarring open: de 'Archduchess Harriet Griselda of Finster-Aarhorn and Scandop-Boom in the Roumanian Territory.' Orlando is nog in zijn mannelijke gestalte, en wordt verliefd op deze Aartshertogin. Veel later, wanneer Orlando een vrouw is, en als kersverse hertogin andere dames op theevisite ontvangt, duikt deze Harriet-met-de-bizarre-achternaam weer op. Halverwege de thee doet zij plots haar jurk uit, en, o verrassing, ze blijkt een man te zijn. De Aartshertog bekent dat hij toentertijd verliefd was op Orlando (de man), en zich als vrouw voordeed om hem te kunnen verleiden. Nu Orlando een vrouw geworden is, staat wat hem betreft niets een verloving nog in de weg. Volgt nog een lange en uitermate humoristische scène waarin Orlando de verloving probeert af te wenden, onder meer door vals te spelen bij een gokspelletje met vliegen en suikerklontjes, door stiekem vliegen vast te plakken, en als dat niet helpt uit pure wanhoop een kikker onder zijn hemd laat glijden. Exit Aartshertog. Woolf maakt hier van het spel met de seksen een hilarisch theater.


Tegen het eind van het boek neemt Orlando de wereld waar als een kaleidoscoop die niet meer ophoudt met draaien. The hawthorn bushes were partly ladies and gentlemen sitting with card cases and gold-mounted canes; the sheep were partly something else, and each gained an odd moving power from this union of itself and something not itself so that with this mixture of truth and falsehood her mind became like a forest in which things moved; lights and shadows changed, and one thing became another.

An odd moving power – dat is de beweging, de energie die in die androgyne ruimte ontstaat.


Zo’n 90 jaar ná Orlando schreef de Schotse schrijfster Ali Smith de roman How to be both (2014), een ongelooflijk goed en genereus boek waarin ze duidelijk schatplichtig is aan Woolf en tegelijk een heel eigen, 21ste eeuws verhaal vertelt.


How to be both (2014) gaat over het tienermeisje George (voluit Georgia), van wie de moeder overleden is. Enkele maanden daarvoor zijn ze samen naar Ferrara gegaan omdat haar moeder de fresco's wilde zien van een renaissance-kunstenaar, Francesco del Cossa. George rouwt om haar moeder, en raakt bevriend met het coolste meisje van de klas, Helena Fisker. Ze wordt verrast door de liefde die tussen hen opbloeit.

In het tweede deel van het boek spreekt de stem van Franchesco del Cossa, de kunstenaar, die vanuit het verleden of het dodenrijk, omhoog geduwd wordt, en bij George terecht komt op het moment dat zij in een zaal van het British Museum naar een werk van hem zit te kijken. Hij vertelt – aan ons, want George is zich van zijn aanwezigheid niet bewust – over zijn werk aan de fresco's, over hoe hij opgroeide, hoe hij werd wie hij werd. Over zijn vriendschap met de jonge edelman Barto, hun bezoeken aan prostituées, hoe hij tekende, keek, liefhad.


Francesco del Cossa, St Vincent Ferrer, ca 1473, National Gallery Londen (detail)

Franchesco del Cossa is een historische figuur, die fresco's bestaan, er zijn schilderijen van hem bewaard, maar over zijn biografie weten we bijna niets. Ali Smith grijpt deze blanco pagina uit de (kunst-)geschiedenis aan om een fictief en bijzonder verrassend levensverhaal te creëren. In een ontroerende scène, wanneer je al een bladzijde of vijfentwintig lang naar Franchesco's verhaal luistert, ontvouwt zich, subtiel en poëtisch, de verrassing. Franchesco is nog een kind dat uitzonderlijk goed kan tekenen. Zijn moeder is overleden en hij is haar kleren gaan dragen, die om zijn lijf slobberen. Zijn vader roept hem bij zich, en vraagt hem vriendelijk daarmee te stoppen, omdat hij het gevoel heeft dat hij steeds een dwergversie van zijn vrouw door het huis ziet lopen. Hij stelt voor dat Franchesco in het vervolg jongenskleren gaat dragen, dat hij wordt zoals zijn broers, zodat hij opgeleid kan worden tot kunstenaar. Als Franchesco dat hoort, komt hij langzaam tevoorschijn uit de jurk en neemt de jongensbroek aan die zijn vader hem voorhoudt. Hij is – en wás al die tijd dat we zijn verhaal lazen al – een meisje met jongenskleren, een man met een vrouwenlichaam, een androgyn wezen.


Het navertellen van deze scène is eigenlijk onmogelijk; ik heb in de bovenstaande alinea 13 keer een mannelijke persoonsvorm moeten gebruiken (hij / zijn / hem) en 5 keer zijn jongensnaam, terwijl het strikt genomen vrouwelijk had moeten zijn. Maar 'strikt' komt in het universum van Ali Smith niet voor, en ze omzeilt dit taalkundig probleem door in de eerste persoon te schrijven. Wie 'ik' zegt, hoeft geen geslacht prijs te geven. Net als Jeanette Winterson schrijft Smith ook vaak in de jij-vorm, vooral in verhalen over twee geliefden. Zo blijven omtrent de aard van die liefde meerdere mogelijkheden tegelijk open. In How to be both speelt Smith dit spel ronduit virtuoos: niet alleen blijft heel lang in het midden of Franchesco een man of een vrouw is, tegelijkertijd denkt de 'geest' van Franchesco, die George op de rug ziet en niet om haar heen kan bewegen, dat George een jongen is. Als George zich voor het eerst half omdraait, merkt Franchesco op: Then I see that he looks very girl. En weer zes bladzijden later: This boy is a girl. I knew it. Het effect hiervan is dat de lezer zich zelf een voorstelling maakt of de personages vrouwelijk of mannelijk zijn, en er langzaam van doordrongen raakt dat dat niet zo veel uitmaakt, dat iemand beide kan zijn.

In How to be both onderzoekt Smith, in een duizelingwekkende opeenstapeling van beelden, zinswendingen en verhaallijnen hoe beide te zijn. Hoe je zowel man als vrouw kunt zijn, zoals Franchesco. Maar als die ene dualiteit begint te vervloeien, dan ontstaat, zo lijkt het, op alle denkbare manieren en gebieden nieuwe ruimte met nieuwe mogelijkheden. Een dialoog tussen George en haar moeder, wanneer ze in Italië zijn: Past or present? George says. Male or female? It can't be both. It must be the one or the other. Who says? Why must it? her mother says.


Voortdurend duikt dat woord both op. Met een verwijzing naar het 15e eeuwse Schildershandboek van Buenvenuto Cellini maakt Franchesco, of Ali Smith, duidelijk wat er ontstaat wanneer twee verschillende vormen of categorieën, of geslachten, elkaar raken: (…) cause love and painting both are works of skill and aim: the arrow meets the circle of its target, the straight line meets the curve or circle: 2 things meet and dimension and perspective happen.

Omvang en perspectief, ofwel: ruimte.


De vloeibaarheid die Smith creëert tussen mannelijk en vrouwelijk, heden en verleden, strekt zich ook uit tot de taal, en de literaire vorm van het boek. Iedere zin zit barstensvol beelden, dubbele betekenissen, knipogen. Toch is het nergens zwaar, nooit gekunsteld. Het is eerder een vorm van generositeit, om de taal zo krachtig en veelzeggend te gebruiken.


Het grootste waagstuk wat de vorm betreft zit hem in die twee delen waaruit het boek bestaat. Beide, het deel over George en het deel over Franchesco, zijn getiteld 'One', vergezeld van een illustratie van een security-camera (George) of een takje met twee ogen als bloemen (Franchesco). Er zijn twee verschillende versies van het boek in omloop, die willekeurig door elkaar in de boekhandel liggen. De ene versie begint met George, de andere met Franchesco. Het verhaal dat je als eerste leest, beïnvloedt onvermijdelijk het verhaal dat je als tweede leest. In George's verhaal leer je Franchesco al kennen, in Franchesco's verhaal zie je George zitten, volg je haar in haar gangen, thuis, alleen, of samen met Helena.


Ik vermoed, ik ervaar, dat die twee vormen van ruimte, de menselijke en de literaire, nauw met elkaar verbonden zijn. De één kan niet zonder de ander: wie een nieuwe ervaring wil verwoorden, wie een nieuw soort mens, de androgyne mens, wil creëren in literatuur, heeft nieuwe taal nodig. Om het met de woorden van George's moeder te zeggen: I subscribe to the belief that language is a living growing changing organism.

0 views

© 2020 Anneke van Wolfswinkel. Gebouwd met Wix.com